Laatste nieuws

Overdenking ds. Van der Wel zondag 6 juni

Preek n.a.v. Joh 3, 22-36.

Gemeente van Jezus Christus,

In de adventstijd stond dezelfde lezing uit Johannes op het rooster als vandaag. De Doper die verwijst naar wie na hem komt, past natuurlijk ook mooi in die tijd waarin we uitzien naar het kerstfeest. Normaal wordt het evangelie van Johannes vooral op de grote feestdagen gelezen, terwijl door het jaar heen de drie andere evangelisten het woord krijgen. Het oecumenisch leesrooster biedt dit jaar een alternatief spoor aan uit het Johannes evangelie en daarom nog een keer deze lezing. Ik ben er voor vandaag dan ook opnieuw naar gaan kijken en in de zomertijd vallen andere dingen op dan in de advent.

We horen in dit gedeelte een gesprek tussen Johannes de Doper en zijn leerlingen. We staan als het ware op een afstandje te luistervinken. Prachtig hoe Johannes dergelijke stijlfiguren gebruikt in zijn tekst. Ingeklemd tussen twee gesprekken die Jezus zelf heeft, dat met Nicodemus dat hieraan vooraf gaat en dat met de Samaritaanse vrouw dat hierop volgt, wordt er nu door zijn voorganger een beeld van hem geschetst. Lezend in het evangelie lijk je zo steeds dichter bij Jezus te kunnen komen. We cirkelen om het geheim van deze ene, die zich maar moeilijk in een beeld laat vatten. Het lijkt wel of Johannes niet alleen het verhaal van Jezus leven en sterven wil vertellen, maar vooral de diepere lagen onder wie hij was wil onthullen. Dat maakt dit evangelie op het eerste gezicht  misschien wat minder toegankelijk, maar het nodigt vooral uit om verder te kijken. Denk je net te begrijpen wie Jezus is, wordt je toch weer op het verkeerde been gezet. Blijkbaar wil de evangelist ons scherp duidelijk maken dat Jezus zo anders is dan wij zouden verwachten. Jezus blijkt complex te zijn.  Is hij het ene moment de redder van het feest, het volgende ogenblik zien we een scherpe debater of een bijna filosofische denker. Ik ervaar het evangelie van Johannes altijd weer als een kritiek op een al te liefelijk en eenvoudig beeld van Jezus. Precies in die ongrijpbaarheid komt er iets van de hemel op aarde en wordt de verwondering gevoed. Het vraag om lezing en herlezing, om bezinning en aandacht.

Terug naar de tekst van vandaag. Johannes laat zich niet in de religieuze concurrentie dwingen als de leerlingen hem er fijntjes op wijzen dat Jezus meer volgelingen heeft dan hijzelf. Hij laat zich absoluut niet van zijn stuk af brengen door de woorden van zijn leerlingen en weigert zich te meten met zijn dopeling.

Ik vond het opeens een razend actueel beeld. Kijk eens hoeveel kerkgangers er daar zijn! En allemaal jonge mensen! Hoe doen ze dat toch? Zie je dat enthousiasme? Kunnen wij dat ook?

 

Alsof de hoeveelheid applaus en aandacht een graadmeter is voor de kracht van een gelovige gemeenschap. Wat is dat toch dat we ons zo vaak blind staren op aantallen, op hoe groot een gemeenschap is? Op hoeveel succes een spreker heeft en hoeveel mensen naar hem of haar toe hollen. Want waar Jezus hier nog volop in de aandacht staat, mensen aan zijn lippen hangen, weten we maar al te goed dat zijn weg in absolute eenzaamheid eindigt. Dan valt er een stilte die zo overweldigend is, dat we vermoeden dat alleen de Eeuwige zich daar nog kan laten horen.

Johannes verklaart het verschil tussen Jezus en hem eenvoudig door 3 redenen te noemen. Ik ben de Messias niet, ik ben de bruidegom niet en tenslotte: Jezus is van boven en ik ben een aards mens. Tot drie keer toe wijst hij van zichzelf af naar Jezus. Daarin blijft hij trouw aan zijn roeping, trouw aan zijn taak en daarmee trouw aan God.

Ik ben de Messias niet. Hij zegt daar overigens niet: kijk dat is Jezus wel. Het klinkt veel subtieler, in zijn ontkenning wordt je blik eenvoudig gewend. Zou hij het dan zijn? Door Johannes gedoopt en nu zijn voorganger boven het hoofd gegroeid? Eigenlijk nodigt dat zinnetje ons uit: wie denk jij dat hij is?

Ik vind het overigens een grote troost dat Johannes, noch wij de Messias hoeven te zijn. Die taak is ons uit handen genomen. We mogen op onze eigen plek onze taak vervullen. In alle eenvoud ons spoor trekken, trouw zijn aan onze eigen taak. De rol van de Messias, de gezalfde, die overigens niet bepaald aantrekkelijk is in de bijbel, wordt door de Eeuwige zelf bepaald. Een enkeling wordt tot die taak geroepen, denk maar aan koning David, maar ook de buitenlandse koning Kores wordt zo genoemd. Waar in Jezus dagen een sterke verwachting leeft van een verlossende Messias, schudt Johannes het hoofd. Ik ben het niet! Zo blijft hij trouw aan zijn eigen roeping, trouw aan de taak die hij voor ogen heeft, verwijzer te zijn.

Hij ziet zichzelf als de vriend van de bruidegom. Als degene die de weg baant, die ervoor zorgt dat de bruidegom kan stralen en alles naar wens verloopt. Johannes kiest voor de dienstbare en bijna onzichtbare taak en is daar tevreden mee.

Kiezen voor je eigen opdracht. Trouw zijn aan je eigen taak in deze wereld. Je niet blindstaren op wat niet voor je lijkt te zijn weggelegd, maar trouw je eigen rol vervullen in het leven. Ik vind dat een buitengewoon uitdagende gedachte in een tijd als de onze, waar het er soms om lijkt te gaan overal en altijd de beste, de snelste, de opvallendste te zijn. Altijd maar streven naar meer en hoger. Hier klinkt een andere toon: vindt je eigen roeping, je eigen taak en vervul die met vreugde. Niet iedere jongere heeft Gretta Thunberg in de ziel, niet elke vrouw kan door het glazen plafond heen breken en niet elke man kan leiding geven aan een groot concern. Niet elke mens is het gegeven een gevierde ster te zijn, een talentvolle sporter of een meer dan belangrijk persoon. De meesten van ons hebben een eigen taak, die soms heel bescheiden en onopvallend mag lijken, maar daarom niet minder belangrijk is. Want geef maar toe: wie wordt niet blij van een schoon huis of een lekker bord eten, van een hand op je schouder of een duidelijke uitleg van een ingewikkeld probleem, van een mens die alles uit handen laat vallen om voor jou koffie te zetten als het leven pijn doet. Johannes laat ons zien dat het zonder jaloezie en boosheid kan: blijven bij je eigen roeping, trouw zijn aan je eigen taak, ruimte maken voor een ander en daarbij de zon in het water kunnen zien schijnen.

Tenslotte noemt de aardse Johannes nog een derde reden: hij die van boven komt, staat boven allen. In hem spreekt de hemel tot ons. Het vraagt een nieuwe manier van kijken, geduld en ruimte om dat in Jezus te ontdekken. Het lijkt of de evangelist zijn lezers op het hart bindt: neem de tijd om deze rustig te leren kennen, verlies je niet in grote woorden, maar durf het aan je aan hem te verbinden. De Messias zal anders zijn dan je wellicht verwachtte, kwetsbaarder, minder zichtbaar en uiteindelijk schijnbaar zonder succes. Maar in de verbondenheid met mensen, in de nabijheid van de God die hij vader noemt, zien we het gezicht van de Eeuwige.

Johannes eindigt met harde woorden. Hij wijst op het onbegrip en de ongehoorzaamheid van mensen. Het is niet gemakkelijk om je aan deze hemelse zoon te verbinden. Ik vermoed dat hij die verscheurdheid zelf in zijn gevangenschap ook heeft ervaren. Je zult er aan slijten, je zult verbijsterd staan en er niets van begrijpen. Toch zingt de evangelist het in alle toonaarden uit. Deze is de Messias, de mens van God gezonden onder ons. Aan hem mogen we ons toevertrouwen, in hem zien we een glimp van de Eeuwige. In wie zich verbonden heeft aan de mensen, tot in de diepte van de dood, in wie de minste onder de mensen wilde zijn, daar zien we wie God is. Aan die vreemde God mogen we ons toevertrouwen. In die God, mogen we tegen de klippen op, geloven.

Amen.

 

 

Beameraar gezocht !

Het is al weer even geleden dat wij van de commissie Eredienst iets te melden hadden. Op de achtergrond gaan we overigens wél door.

Maar nu is er aanleiding om bij u/jullie aan te kloppen.

U/jij leest toch wel nog even verder hoop ik.

 

Wat is er aan de hand?

Een taak vanuit de commissie is de wekelijkse beamerpresentatie, die wordt gemaakt in PowerPoint aan de hand van de – door de predikant – aangereikte orde van dienst.

Het beamerteam zet zich daarvoor in.

Helaas gaat een lid ons team verlaten en dus – u voelt ‘m al – zijn we dringend op zoek naar uitbreiding, aangezien het anders kan gebeuren dat er zondagen komen zónder presentatie. En dat moeten we toch niet willen?

We zijn nu nog met een (te) klein enthousiast team, maar we zien graag dat dit wat groeit en (als het kan) vooral verjongt.

Dus alstublieft: meld je aan – je komt als geroepen!

Namens de commissie,

Joop Alblas,

voorzitter commissie Eredienst, coördinator beamerteam

tel. 6813622 of e-mail: liturgie@deopenhof-hia.nl

Dietrich Bonhoeffer

In de week van dodenherdenking en bevrijdingsdag, bereidde ik het leerhuis over Bonhoeffer voor. Als puber zag ik ooit een film over deze theoloog en hij maakte grote indruk op mij. Toen zag ik vooral de dappere man die zich durfde te verzetten tegen het nazisme, zelfs als hij dat met zijn leven moest bekopen.

Jaren later en al behoorlijk ver in de theologiestudie, las ik voor het eerst een aantal stukken uit zijn boek Verzet en overgave, waarin de brieven die hij schreef vanuit de gevangenis zijn gebundeld. Een gedeelte heb ik steeds weer gelezen en herlezen. Het reist sindsdien met me mee. Bonhoeffer schrijft bij de doop van zijn petekind over de kerk van de toekomst. ‘Ons rest niets anders dan dit: bidden en onder de mensen het goede doen.’ Als je de tekst vandaag leest is het na al die jaren nog steeds actueel. Hij spreekt in dit gedeelte het vertrouwen uit dat de kerk opnieuw geboren zal worden, dat er weer mensen opstaan die in een nieuwe en andere taal over God en zijn Rijk zullen spreken. Het mag ons moed en vertrouwen geven voor de toekomst. Altijd weer zullen mensen opstaan en woorden van geloof spreken.

Het vertrouwen dat klinkt uit die woorden, geschreven in een kleine, donkere cel, maakt dat we met open ogen de toekomst tegemoet kunnen gaan. Waar horen we verlossende woorden? Waar worden mensen op hun voeten gezet? Waar gloort Gods toekomst?

Ik wens u mooie en inspirerende pinksterdagen. Dat het vuur en de wind aanstekelijk mogen zijn!

Ds. Antoinette van der Wel (06-10 81 26 31, dsavdwel@deopenhof-hia.nl)

 

PS In De Open Hof is het toegankelijke boekje Leren geloven met Bonhoeffer van Gerard Dekker te leen. Voor wie meer wil weten!

Overdenking ds. Van der Wel zondag 9 mei

Preek n.a.v. Johannes 15, 9-17

Gemeente van Jezus Christus,

Net als vorige week lezen we vandaag uit het evangelie naar Johannes. Jezus spreekt afscheidswoorden en bindt zijn leerlingen op het hart wat belangrijk is, voor straks als hij niet meer bij hen is. Drie opvallende punten wil ik er uitlichten. Het gaat over liefhebben, over blijven en over verhoudingen die ondersteboven worden gekeerd.

Dit draag ik jullie op: heb elkaar lief! Liefhebben als een opdracht, niet als een verzoek of iets dat je al dan niet overkomt, maar als een gebod. Wat een vreemde opdracht. Liefhebben associëren we met een gevoel, met iets dat je gebeurt, waar je gelukkig van wordt. Als het goed is, houd je van je familie, ook al zijn ze soms bijzonder, je bent met elkaar vergroeid, je hoort bij elkaar. En natuurlijk houd je van je vrienden. Je hebt ze immers zelf uitgekozen. Door de jaren heen heb je elkaars leven gedeeld en zo ben je steeds meer verbonden geraakt. Maar kun je ook van je collega’s houden, je buren, of de mensen uit de kerk? Of van iemand die je tegen komt op straat? Soms zal dat niet heel moeilijk zijn, als je je verwant voelt met elkaar, een bepaald gevoel voor humor herkent, of dezelfde normen en waarden deelt, als je ook gewoon vrienden had kunnen zijn.

Liefhebben is niet zo verschrikkelijk moeilijk als je de ander sympathiek en aardig vindt, of als je veel gemeenschappelijks hebt. Maar wat als je die ander niet zelf hebt uitgekozen en er niet een vanzelfsprekende klik is? Als die ander je irriteert of ergert. Moet ik dan toch van hem of haar houden? En hoe doe je dat? Ik kom hier aan het eind van de preek nog op terug, want  ik wil eerst een ogenblik kijken naar de beide andere punten, die ons vast op weg helpen.

Blijf in mijn liefde, zegt Jezus tot zijn leerlingen. Dat blijven zette me aan het denken. Juist in een tijd waarin veel aandacht is voor mobiliteit en beweging viel me die nadruk op het blijven in de liefde en in de verbinding met de Eeuwige op. Het gaat blijkbaar om een lange adem hebben, om geduld en uithoudingsvermogen. Geloven en liefhebben zijn geen zaken die je even op een achtermiddag doet, maar worden een integraal deel van je leven. Het hoort bij je, het is een blijvende ondertoon bij alles wat je doet. Ik moest denken aan een verhaal dat ik ooit van een oude monnik hoorde. Hij vertelde dat er lange periodes in zijn leven waren waarin hij niets van God merkte of voelde. Waarom dan toch blijven bidden en zoeken? Waarom het geloof niet achter je laten? Hij antwoordde dat er ergens in de woestijn ook altijd momenten waren waarop hij zich gedragen wist, liefgehad. Er waren ook kleine oases.

Jesaja zegt het nog scherper: U bent een God, die zich verborgen houdt. God ligt niet voor het oprapen als een antwoord op al onze vragen. Hij is niet zomaar aanwijsbaar in de chaos van het leven. Maar ergens hoor je een stem, wordt er gesproken, waait er een frisse wind door het huis, wordt er een vuurtje in je ontstoken. Al moeten we nog even wachten tot het pinksterfeest om dat te vieren. Jesaja wist van godverlatenheid en angst, van een leven in ballingschap, zonder vrij zicht op de toekomst. En is het niet juist Jesaja die de bannelingen aanspoort te blijven, een leven op te bouwen, te blijven, het heil te zoeken voor de plaats waar ze zijn gesteld!

Blijven en het uithouden. Niet wegrennen als het moeilijk wordt en we even geen antwoord weten op de vragen van een naaste. Niet wegrennen als de kerk minder leuk lijkt dan vroeger. Niet vluchten als het verdriet van de ander pijn doet en je geen antwoord meer weet. Ik ben steeds meer gaan geloven in de kracht van het uithouden met elkaar, van het blijven, van het durven te kiezen voor solidariteit, van eenvoudigweg naast de ander blijven staan.

Jezus geeft het voorbeeld. Hij kiest ervoor alle verhoudingen ondersteboven te keren. Hij is niet hun meester, maar hun vriend, zij zijn elkaars gelijken, elkaars naasten geworden. Een slaaf wordt niet gehoord, hoeft geen uitleg te krijgen over de wetten die zijn meester hem oplegt. Zo is de verhouding tussen Jezus en zijn leerlingen, tussen God en mensen niet. Hij noemt ons zijn vrienden, de mensen naar zijn beeld en gelijkenis. Een liefde die bereid is het eigen leven te geven voor de ander, kan niet anders dan wederzijds zijn en in vrijheid aan elkaar geschonken.

Dit draag ik jullie op: heb elkaar lief. Zoals ik jullie heb liefgehad moeten jullie elkaar liefhebben. Hoe je dat doet? Misschien wel heel eenvoudig door ruimte te maken voor de ander. Door die ander te zien als een geliefd kind van God, door degenen die naast je staat het licht in de ogen te gunnen, zoals ook jijzelf verlangt naar licht voor je leven.

Lieve gemeente,

We hebben elkaar niet als vrienden uitgekozen, maar zijn door Jezus als zijn vrienden ook aan elkaar toevertrouwd. Hij daagt ons uit, het uit te houden met elkaar in goede en kwade dagen. Om elke keer weer voor elkaar te kiezen. Om antwoord te geven op die vraag die bij het begin van de schepping al aan ieder mens wordt gesteld. Mens, waar is je broeder, waar is je zuster?

Alleen in solidariteit en aan elkaar verbonden kan deze wereld leefbaar zijn. Dan wordt de woestijn een groene oase. Waar brood en wijn wordt gedeeld, wordt de chaos bedwongen.

Als we straks, weliswaar op afstand hier en thuis de matses en de wijn delen, zeggen we daarmee dat we aan elkaar zijn toevertrouwd. We nemen een voorproefje op Gods koninkrijk en beloven elkaar dat rijk van vrede en gerechtigheid te delen met wie er op onze weg komen. Want we weten van liefde die sterker is dan de dood, en van een aarde die niet als chaos is geschapen, maar als een huis om te bewonen, voor alle mensen.

Met elkaar

Dat was toen, daar.

Ik weet nog dat ik dacht:

Als het ergens is, is het hier,

Als het ooit is, is het nu.

Dit is de plek waar God zou willen wonen.

Van mij mag hij zo aanschuiven.

Hier geeft de Heer zijn zegen.

 

Karel Eykman bij psalm 133

Amen.

 

Overdenking ds. Van der Wel zondag 2 mei

Preek n.a.v. Deut. 4, 32-40 en Johannes 15, 1-8.

Gemeente van Jezus Christus,

Bij een eerste oppervlakkige lezing van de teksten, dacht ik: mooie bemoedigende woorden. Een hele wereld licht voor mij op in dat beeld van de wijnstok. Ik zie mezelf al zitten, ergens in het vroege najaar, op een plek waar de zon nog volop schijnt. Boven mij een dak van wijnstokken vol met prachtige druiven. Ik zit er in de schaduw onder. Een lange tafel met vrolijk lachende mensen om mij heen. Iedereen die mij lief is, is aangeschoven. Schalen worden doorgegeven, glazen gevuld, verhalen verteld. Het leven is goed, zo is het bedoeld.

Alle verhalen over wijngaarden in de bijbel resoneren wanneer Jezus zichzelf de wijnstok noemt. Het gaat hier over het goede leven, over wijn die fonkelt in de glazen, over feest, over een toekomst waarin mensen veilig en geborgen zijn. En ik heb geen enkele moeite dat beeld voor ogen te halen.

De meelezers verging het echter heel anders. Zij struikelden over het verbranden van de takken en over volkeren die verdreven worden om ruimte te maken voor Israël. Helemaal geen bemoedigende teksten dus, maar eerder vragen en een ongemakkelijk gevoel. Zijn wij als gelovigen dan zo veel beter dan de anderen? Heeft God geen oog voor wie anders zijn? Dit kan toch niet waar zijn!

Mijn droombeeld wordt wreed verstoord, maar ik wordt gelijk uitgedaagd de teksten opnieuw te lezen, met deze opmerkingen in mijn achterhoofd. Ik kijk eerst met u naar Deuteronomium en vervolgens naar de tekst uit het Johannesevangelie. Waarna ik toch een lans zal breken voor het bemoedigende karakter van de tekst.

Het boek Deuteronomium opent met een lange rede die Mozes houdt, veertig jaar na het overhaaste vertrek uit Egypte. Hij maakt als het ware de balans op. In het slotakkoord klinkt het nog één keer: hoe het volk bevrijd werd uit de slavernij en een weg vond door de woestijn naar nieuw land. Overal ziet Mozes vernietigende goden om zich heen. Goden die mensen tot slavernij dwingen, die hen klein en machteloos maken. Hoe anders is de God van Israël. In vuur en wolk kwam hij hen rakelings nabij, maar vernietigde hen niet, hij beschermde en behoedde zijn mensen. Hij gaf hun de Thora als regel ten leven en behoud van de vrijheid. Mozes richt zich hier tot zijn eigen mensen, nog steeds onderweg na jaren in de woestijn. Hij kijkt terug op wat is geweest en richt hun blik op de toekomst. Op dat land waar ze veilig kunnen wonen. Alles en allen die hen bedreigen zijn vergaan. Hij spreekt tegenover slaven, die vrijheid krijgen, tegen vervolgden, die veilig zijn, tegen kwetsbare mensen, die opademen, ruimte krijgen. Herkenbaar voor eenieder die zich in het leven bedreigd heeft gevoeld door anderen. In deze dagen van het herdenken van de oorlog en de bevrijding, waarin menigeen verlangde naar leven en toekomst geen vreemd gevoel. Bevrijd ons van onze bezetter. De focus ligt bij Mozes volledig op het bevrijdend handelen van God, op de ademruimte die hij schept voor een kwetsbaar volk.

Jezus spreekt in het evangelie van Johannes tot zeven keer toe: ik ben. De eerste keer zegt hij: ik ben het brood des levens. En nu, de zevende keer, zegt hij: Ik ben de wijnstok. Jezus als brood en wijn voor ons. In deze gelijkenis nodigt hij ons uit onze plaats te bepalen. Hoe verhoud jij je tot mij? Wat is jouw plek in het verhaal?

De symboliek ligt voor het oprapen. De wijngaard is van de wijngaardenier, van God zelf, zijn volk is de wijngaard. In de hele bijbel wordt dit beeld opgeroepen. Een wijngaard is een bewerkelijke tuin. Er moet gesnoeid, gesproeid, onkruid gewied en met veel aandacht worden gewerkt. De profeten beschrijven de wijngaard altijd als teken van Gods koninkrijk, als ieder mens mag zitten onder zijn wijnrank en de vruchten van zijn werk zelf mag plukken. Waar de leiders van het volk er een potje van maken, worden ze beschuldigd van het vernietigen van de wijngaard.

Jezus neemt dat beeld hier opnieuw op. Ik ben de wijnstok en jullie zijn de ranken. Hij spreekt hier tegen zijn leerlingen, zijn meest verbonden mensen. Die hem overigens straks stuk voor stuk zullen verraden, maar dat terzijde. Zo verbonden zijn we aan elkaar, lijkt hij te zeggen, als de wijnstok en haar ranken. Zoals iedereen die iets weet van tuinieren moet je om die verbondenheid te bewaren soms snoeien en zijn er ook takken die je gewoon moet weghalen, omdat ze geen vrucht dragen. Wanneer je deze tekst ziet als een onderscheid tussen gelovigen en ongelovigen, maak je de woorden onschadelijk. Alsof wij altijd aan de gelovige kant staan en anderen niet. Alsof het duidelijk is wat geloven nu precies inhoudt en wie de ranken zijn en wie de dorre takken. Alsof die scheiding zou liggen tussen mensen en niet in onszelf. Gaat het bij geloven om het aanvaarden van een set waarheden? Of misschien om iets heel anders, om vrucht dragen. En wat is dat dan vrucht dragen?

Jezus spreekt over de schouders van zijn leerlingen ons aan. Hij laat zien hoe verbonden we met hem en in hem met God zijn. De ranken worden gedragen door de wijnstok. We mogen ons geborgen voelen. We staan er niet alleen voor. Maar tegelijkertijd worden ons de ogen geopend. Waar draag jij vrucht? Waar verlies jij je aandacht aan zaken die niet belangrijk zijn? Waar weet jij je verbonden aan anderen? En mag die verbondenheid ook pijn doen? Zou het zo kunnen zijn dat wanneer we ons verbinden aan anderen er ook gesnoeid moet worden? Misschien moeten er ook takken worden weggedaan en verbrand. Durven we los te laten wat ons klein maakt, wat ons verhinderd ons te verbinden aan God en mensen? Misschien moeten onze vooroordelen aangepakt worden, waarmee we in een ogenblik onze naaste oordelen en veroordelen. Of misschien moet ons ongeduld wel weggesnoeid en verbrand worden, als we onredelijk veel van een ander verwachten. Misschien moeten we onze angst laten varen, om het verdriet van de ander in ons leven toe te laten en eraan te slijten. Misschien moet de mildheid wel groeien, een mildheid die maakt dat we anderen zien door de ogen van Jezus, in alle kwetsbaarheid als kinderen van de Eeuwige.

Ik vermoed dat we allemaal wel weten waar wat snoeien goed voor ons is en waar we misschien afscheid zullen moeten nemen van wat ons hindert ons te verbinden aan God en mensen. Dat zal voor eenieder van ons anders zijn, en in elke levensfase weer anders zijn.

De dichtregel van Ellen Warmond bij het beeld van mijn nog kale wijnrank in de regen zegt het zo mooi:

Ieder takje dat je ooit

vergat te snoeien

wordt oerwoud dat je overwoekert

Als je vrij wil zijn, zul je keuzes moeten maken. Los moeten laten wat die vrijheid bedreigt en vernietigd. Het oordeel over wat er gesnoeid of weggegooid moet worden is gelukkig niet aan ons. Daar zorgt de wijngaardenier zelf voor. Maar een beeld wil ik graag aan u meegeven. Wij, mensenkinderen, zijn de ranken. Die ranken worden gedragen door de wijnstok. Vervolgens mogen die ranken vrucht dragen. In die dubbele verbondenheid mogen we leven. Verbonden aan de wijnstok die ons laat zien wie de wijngaardenier is. En verbonden aan wie naast ons staan, wie ons zijn toevertrouwd. We weten onszelf en deze wereld gedragen door de liefde van God. Die liefde is groter dan ons ongeloof. In die liefde mogen we thuis zijn, die liefde mogen we met vallen en opstaan delen. Dan bloeit de wijngaard op. Dan zitten we aan die lange tafel, we schikken nog even in voor wie later komt. Zo wordt iets van een beloofd land zichtbaar. Waar ieder mens vredig en gelukkig in Gods wijngaard thuis is. Waar het glas wordt geheven en de wijn fonkelt. Lechajim, Op het leven!

Amen.

Archief nieuws De Open Hof