Overdenking ds. Van der Wel zondag 14 maart

Preek n.a.v. Mat 5 en de naakten kleden.

 

Gemeente van Jezus Christus,

Naakten kleden

is iemand zijn identiteit

en waardigheid geven.

(Manu Verhulst)

Deze woorden dichtte de priester Manu Verhulst bij dit schilderij van Pat de Vylder uit zijn reeks over de zeven werken van barmhartigheid. We zien een naakte man, kwetsbaar en mager staat hij daar, vol schaamte. Hij lijkt te willen verdwijnen uit ons blikveld. Naast hem een groene figuur, een engel misschien, een mens, die hem liefdevol een wit kleed omhangt. Wie de man is vertelt het schilderij niet, net zo min als wie de helpende hand biedt

Naakten kleden lijkt me nog iets heel anders dan je oude kleding weggeven aan iemand die het minder heeft dan jij, hoe goed dat natuurlijk ook kan zijn. Het gaat niet om iemand zo snel mogelijk te voorzien van nieuwe kleding, of een passende outfit aan te meten. Kleding zegt  iets over wie je bent, wat je wil uitstralen, iets over je plek in de samenleving. Kleding beschermt en omhult je, geeft je aanzien. We vinden het belangrijk om er mooi, eigenzinnig of bijzonder uit te zien. In sommige levensfases wil je er vooral net zo uitzien als je vrienden. Draag je het liefst een bepaald merk spijkerbroek en loop je op dezelfde sneakers.

Naakten kleden heeft, volgens mij, eerder te maken met het omhullen van kwetsbare mensen met de warme mantel van de liefde. Niet om iemand onzichtbaar te maken, maar juist om die ander tot zijn of haar recht te laten komen.  Naakten kleden gaat over iemand zijn waardigheid geven, zijn naam en identiteit schenken.

Ik moest bij dit werk van barmhartigheid denken aan de serie Klassen die een tijd geleden op tv was. De serie liet kinderen zien op diverse Amsterdamse scholen en maakte ons haarscherp duidelijk dat het er nogal van afhangt waar je wieg staat en hoeveel invloed die plaats heeft voor je toekomst. De documentaire toonde bovenal betrokken mensen en veerkrachtige jongeren. Eén meisje heeft grote indruk op mij gemaakt. Ze heette Anyssa, was slim en verbaal goed toegerust, ze woonde bij haar grootouders en leefde van de voedsel- en kledingbank. En er was een juf die naar haar omzag, die haar net dat onsje meer gaf dan van haar kon worden verwacht. Al zat alles Anyssa tegen, ik kreeg bewondering voor dit taaie kind dat dapper en hartelijk bleef zorgen voor de mensen om haar heen en tegelijkertijd haar eigen spoor probeerde te trekken. Wat had ik haar graag een makkelijkere start in het leven gegund, maar wat was het goed, een juf, een oma en opa, die van haar hielden en ondanks alle beperkingen haar een toekomst wilde geven. Wat was dit kind krachtig en waardig in haar kleren van de kledingbank. Was zij degene die gekleed moest worden of de engel?

We lazen vanmorgen uit Exodus en de bergrede. Praktische aanwijzingen van hoe we kunnen leven en hoe we dit werk van barmhartigheid gestalte zouden kunnen geven. Het mooie van deze aanwijzingen is dat ze net even verder gaan dan gemiddeld. We worden uitgenodigd een stapje meer te zetten dan er van je kan worden verwacht. Om die ander in zijn of haar waarde te laten en volhardend het goede te doen, ook als je daar zelf minder van lijkt te worden. Is dat een naïeve levenshouding? Of zou het deze wereld fundamenteel kunnen veranderen?

Ik begrijp heel goed dat je niet zomaar geld leent aan de eerste de beste die bij je aanbelt en dat banken goed kijken of je kredietwaardig bent. Maar wat als je boodschappen krijgt van je ouders terwijl je leeft van een bijstandsuitkering? Ben je dan opeens een fraudeur geworden?

Ik begrijp dat als je asiel zoekt in ons land, er aan je wordt gevraagd waarom je dat doet. Maar wat als je nu geen paspoort meer hebt en je komt uit een land waar je naam er niet meer toe doet? Wat als je tot op het bot bent uitgekleed onderweg door mensenhandelaren en je gewoon een leven wil voor jezelf en je kinderen?

Ik begrijp dat je ontzettend boos bent als iemand je diep heeft geraakt en je het liefst nog veel harder zou willen uithalen, maar of dat het verschil maakt? Misschien voelt het fijn om de ander met gelijke munt terug te betalen, maar of je daar nu gelukkiger van wordt?

Ik begrijp dat het moeilijk is om kwetsbaar te zijn en je blootgesteld te voelen aan spot en hoon. Dat je dan het liefst een grote dikke trui, een joggingbroek en een dekentje wil om je in te verbergen.

Er is iets vreemds aan de hand met naaktheid in de bijbel. In het scheppingsverhaal loopt de eerste mens zonder schaamte rond. Hij voelt zich in zijn blootje volstrekt vrij tegenover zijn naaste. Onbevangen en zonder schroom leven ze met elkaar. Pas wanneer zij van de boom van de kennis van goed en kwaad hebben gegeten, zien ze van elkaar dat ze naakt zijn en raken ze vervreemd van elkaar. Het meest ontroerende vind ik dan vervolgens dat God zelf kleding voor ze maakt en hen beschermt en koestert en zo een toekomst gunt.

In alle tonen klinkt het voortdurend in de schriften: kwetsbare en arme mensen moeten beschermd worden. Daarom mag je iemands mantel voor de nacht niet afpakken omdat die mantel voor armen ook tegelijkertijd hun deken is waarmee ze zich beschermen in de koude nacht. Je kunt honderd keer in je recht staan en die mantel als onderpand mogen hebben, maar als de nacht valt zorg je dat de ander beschermd is.

Naakt word je geboren en uiteindelijk sterf je ook naakt. Van Jezus wordt verteld dat ze zijn kleren afnemen voor hij gekruisigd wordt. Volstrekt weerloos hangt hij daar, niets en niemand is er om hem te beschermen. Ik vind dat zo’n eenzaam en pijnlijk beeld. Hij lijkt zowaar op de man die Vylder schildert. Waar is God? Waarom slaat hij geen mantel van liefde om deze mens heen? Of is het misschien nog heel anders, zien we hier wie God is, in alle weerloosheid en kwetsbaarheid nabij tot het bittere eind? Dicht bij al die mensen die op wat voor plek dan ook kwetsbaar, weerloos en eenzaam zijn? En is dat beeld een oproep voor ons om die kwetsbare mens te kleden, te verwarmen, zijn waardigheid terug te geven, een mantel van liefde om te slaan?

De naakten kleden…is Anyssa een kans geven in het onderwijs, is haar noemen bij haar naam, haar kracht en waardigheid zien en versterken.

De naakten kleden… is de vluchteling noemen bij zijn naam. Hem de kans geven een waardig leven te leiden.

De naakten kleden…is de angstige vrouw onder het dekentje op de bank uitnodigen voor de thee en luisteren naar haar verhaal. Waarom verberg je je zo?

De naakten kleden…is dat mooie pak dat je niet meer draagt inleveren bij dress4success om zo iemand met een minimuminkomen een representatief uiterlijk te geven bij die o zo belangrijke sollicitatie.

De naakten kleden, is je realiseren dat je een volgeling bent van de Messias, die weerloos en naakt een beroep op ons doet. Waar ben jij? Waar sta jij voor? Wil jij de mantel der liefde om mijn schouders leggen?

 


‘God, hoe graag zou ik weer komen’

Een gedicht van ds. A.F. Troost, te zingen op de wijs van psalm 42

 

God, hoe graag zou ik weer komen

waar uw kerk één lofzang is –

nu nog ver, om van te dromen,

harten boordevol gemis.

Ooit was alles zo gewoon:

fluitspel, paaskaars, orgeltoon,

stemmen, stilte, al die mensen –

kan men zich iets mooiers wensen?

 

God, hoe graag zou ik weer zingen

juist nu ik niet zingen mag!

Waar, waar zijn nu al die dingen

die ik liefhad, zó graag zag:

bidden, danken in uw huis

aan uw tafel, rond het kruis

zwijgen, spreken, lachen, huilen –

bij U rusten, bij U schuilen…

 

God, hoe graag… Laat ons weer komen

dit of anders volgend jaar,

laat ons bloeien als de bomen –

onze dromen, maak ze waar!

Laat ons weer vol vreugde zien,

wie weet binnenkort misschien,

wat wij nu zo vurig hopen:

wagenwijd uw deuren open

 

Deze tekst van Ds. Troost spreekt mij aan. Bijna het hele jaar rond zijn we nu en net als vorig jaar op weg naar Pasen. We zitten nog steeds in een lockdown en we ervaren wat het betekent om niet samen te kunnen komen, om niet te zingen in onze kerken. Soms zijn er voorzangers in mijn kerk, want in mijn eentje achter de computer zing ik soms mee, maar meestal kijk ik toe en lees de woorden mee. Misschien is dit wel mijn vasten. Net als u/ jullie mis ik het samen komen en het samen vieren in onze kerk. Ik ben een mens van de ontmoetingen en ook van het gezamenlijk vieren. Gelukkig heb ik als geestelijk verzorger in De Blije Borgh tal van ontroerende ontmoetingen met ouderen, collega’s, zorgmedewerkers, waarin we soms ook gezamenlijk kunnen uitspreken dat die Ene erbij is en ons niet in de steek laat. We zetten samen de schouders eronder. Ook toen er zo’n grote corona uitbraak was in het verpleeghuis. Ik werk dus niet thuis dag in dag uit, zoals vele anderen, want als geestelijk verzorger behoor ik tot de vitale beroepen en heb ik inmiddels de twee vaccins ontvangen. Maar vele mensen moeten wachten op dat vaccin. Dat wachten duurt voor u en jullie wellicht te lang. Want ook de jongeren snakken naar ontmoetingen met elkaar. Toch hoop ik met u dat er weer een tijd komt dat we elkaar kunnen ontmoeten en  dat we met Pasen uit volle borst kunnen zingen:  U zij de glorie, opgestane Heer, U zij de victorie nu en immer meer. Uit een blinkend stromen daalde d’engel af, heeft de steen genomen van ‘t verwonnen graf.

Ik wens u nog een goede 40 dagen tijd toe.

 

 


Overdenking ds. Van der Wel zondag 28 februari

Preek n.a.v. Johannes 4

Gemeente van Jezus Christus,

Wat een prachtig hongerdoek maakte Sokey Edorh uit Togo in 2011. Als je goed kijkt leeft Afrika op voor je ogen. Hoewel de kunstenaar de rafelranden van de samenleving laat zien in de sloppenwijken, zien we vooral hoe mensen in moeilijke omstandigheden het leven delen, liefhebben en elkaar het goede doen. Afrika is niet alleen het continent van armoede en ellende, van onderdrukking en slecht bestuur. Er is ook een ander Afrika: een Afrika van ondernemende mensen, van sterke vrouwen, van hulpvaardigheid en saamhorigheid. Een Afrika waar God aanwezig is. En midden in het tafereel zien we die krachtige vrouw die met haar watervoorraad bijna van het doek lijkt af te lopen. Ze gaat ons zomaar voor en lijkt ons uit te nodigen mee te gaan om de dorstigen te laven! Ik vond het zo mooi passen bij het werk van barmhartigheid dat vandaag in de aandacht staat. De dorstige te drinken geven! Deze krachtige vrouw, midden op het doek, recht onder de verbeelding van God, herinnert me aan de vrouw die Jezus ontmoet bij de bron.

Er vind een bijzondere ontmoeting plaats in het evangelie van Johannes. Jezus trekt door het land van de Samaritanen. Een gebied dat voor een vrome jood niet voor de hand ligt. Samaritanen hadden immers hun eigen plaats van aanbidding van de Eeuwige en werden als tweede-rangs-gelovigen beschouwd. En daar op het heetst van de dag treffen we Jezus aan bij de put. En hij heeft dorst. Slechts twee keer wordt vermeld dat Jezus dorst heeft, hier en later aan het kruis. Het mag ons alert maken. Midden op de dag komt de naamloze Samaritaanse om water te putten. Het is vreemd om dat te doen op het heetst van de dag. Ze is alleen. Waar zijn de andere vrouwen om haar te helpen? Waarom komt ze nu? Getrainde bijbellezers weten dat de put niet zelden een belangrijke ontmoetingsplek en zelfs een klein huwelijksbureau is in de bijbel. Eliëzer vond er Rebecca, Jacob trof er zijn geliefde Rachel en Mozes de dochter van de priester van Midjan. En hier treft Jezus de Samaritaanse.

De vrouw kent echter haar plek, als Jezus haar aanspreekt. Wat moet een joodse man van mij? Jezus antwoordt: als je wist wat God wil geven zou je vragen om levend water. De spraakverwarring lijkt compleet. Jij vraagt mij om water en opeens heb je het over water dat van God komt? Een gesprek ontspint zich tussen deze vreemde gesprekspartners. Ik zou u willen aanraden het verhaal later tot het eind uit te lezen, want het is prachtig.

Levend water. Water dat je dorst voorgoed lest. Dat maakt dat je nooit meer hoeft te putten. Wat is dat voor deze vrouw? Wat is dat voor ons? Heeft dat levend water te maken met gezien worden? Echt gezien? Bevrijd worden uit haar eenzaamheid? Geliefd zijn? Waar verlang je naar? Wat is voor u, voor jou, water in de woestijn?

Verschillende gedachten buitelen over elkaar heen.

Water in de woestijn, is onbevangen een ander tegemoet kunnen treden. Los van vooroordelen, los van de plicht om afstand te houden. Gewoon een ontmoeting in de bus of de trein, een spontaan gesprek in de rij van de supermarkt of ooit weer hier aan de koffie in De Open Hof.

Water in de woestijn zijn de sneeuwklokjes in de tuin en de eerste krokussen in de berm die vertellen dat het lente wordt. Is een prachtig lied op de radio dat je raakt. Of een schilderij waar je je ogen niet af kunt houden.

Water in de woestijn is je opgenomen weten in een lange traditie van mensen die een weg van geloof gingen en je verbonden weten met anderen in het nu en over de tijden heen. Vertrouwen dat ons leven gedragen wordt door Gods liefde en dat soms, even ervaren.

Maar bovenal is water in de woestijn, gezien worden, herkend, geliefd en op waarde geschat worden. Een mens te zijn die weet dat er van haar, van hem wordt gehouden. Dat je ergens thuishoort, thuiskomt, welkom bent. Dat iemand je in de ogen ziet en van je houdt, gewoon om wie je bent.

De Samaritaanse komt eenzaam naar de bron, blijkbaar is er niemand die haar nabij wil zijn.  Verderop in het verhaal blijkt dat de vrouw vijf mannen heeft gehad en haar zesde man behoort haar niet toe. En deze zevende man bij de bron? Wat wil hij van haar? Of heeft hij haar iets anders te bieden?

Jezus spreekt geen oordeel over haar uit. Hij ziet haar verlangen, haar pijn, haar onrust, haar eenzaamheid en haar dorst. Dan gebeurt er een klein wonder. Zij laat zich door hem raken. Zij laat haar dorst lessen. Hij is een profeet, een mens van God. Het water dat Jezus put uit een bron is levend water, zo anders dan het stilstaande regenwater van de put. Deze ontmoeting, met die ene die haar werkelijk zag,  geeft haar de levenskracht waarnaar ze verlangt. Zou hij niet de Messias zijn? Ze gaat op weg, ze laat haar kruik staan bij de put. Die heeft ze niet meer nodig. Deze bruid van Christus wordt een apostel, als ze de mensen om haar heen gaat vertellen over de ontmoeting  bij de put. Zo is de naamloze eenzame vrouw een leerling van Jezus geworden. En waar zij haar verhaal verteld worden mensen aangeraakt, gaan ze op zoek naar de bron die haar leven veranderde.

Zo deed ze mij denken aan de vrouw op het hongerdoek, ze straalt een bepaalde kracht uit, zoals ze haar watervoorraad meesleept. Mooi vind ik het hoe het water eruit klotst en op die manier weer anderen leven kan geven.

Levend water? Wat is dat vandaag voor ons? Hebben wij nog dorst, of heeft de overvloed waarin we leven dat verlangen teniet gedaan? Wat heb ik, wat heeft, u nodig aan levend water om het leven aan te kunnen, om gaande te blijven als de dagen warm zijn en het leven kaal en onbarmhartig is? Wat heb je nodig als de zon brandt, als de angst je naar de keel vliegt, als de eenzaamheid als een steen op je hart ligt, als je bang bent overspoeld te worden door verdriet.

Misschien niet meer dan dit: iemand die je ziet in al je kwetsbaarheid, in al je falen en je aanraakt.

Oosterhuis verwoordt het mooier dan ik het kan

Delf mijn gezicht op, maak mij mooi.

Wie mij ontmaskert zal mij vinden.

Ik heb gezichten, meer dan twee, ogen die tasten in de blinde,

harten aan angst ten prooi.

Delf mijn gezicht op maak mij mooi.

 

Delf mijn gezicht op, maak mij mooi.

Wie wordt ontmaskerd wordt gevonden

en zal zichzelf opnieuw verstaan en leven bloot en onomwonden,

aan niets en niemand meer ten prooi

Delf mijn gezicht op, maak mij mooi.[1]

 

Woorden die ik hoor uit de mond van de Samaritaanse en zie in de vrouw op het doek, woorden die als een gebed uit onze mond vandaag zouden kunnen klinken. Delf mijn gezicht op, zodat ik mezelf weer kan zien als een geliefd kind van de allerhoogste. Dat we elkaar mogen zien met zijn liefdevolle ogen en elkaars dorst zullen lessen, met woorden en gebaren die leven geven.

Amen.

[1] Liedboek, zingen en bidden in huis en kerk, 789.


De zeven snaren

Wie is er niet opgegroeid met de stripverhalen van Suske en Wiske. Verslonden heb ik ze in mijn jeugd. Heerlijk vond ik het als ik voor een verjaardag of als we op vakantie gingen een nieuw album kreeg. Ik vond het bijna net zo leuk als Asterix en  Obelix. In de voorbereiding voor de 40-dagen tijd werd ik door een bevriende kunsthistoricus, die ik vroeg om verbeeldingen over de zeven werken van barmhartigheid, gewezen op dit album. Hij noemde het verplichte literatuur en dat laat ik me uiteraard geen twee keer zeggen. Een kleine zoektocht op internet leverde een mooi tweedehands exemplaar op en fijn tijdje leesplezier.

Wat is het toch bijzonder dat deze werken van barmhartigheid zo diep in onze cultuur zijn verankerd, dat zij zelfs stof leveren voor een stripverhaal. De onbevangenheid waarmee het verhaal wordt verteld zette me aan het denken. Hoe onbevangen zijn wij in ons spreken over God en geloof? Durven wij nog zonder schroom te laten zien waar we voor staan? Natuurlijk wil niemand terug naar een tijd vol veroordeling van andersdenkenden en ik heb moeite met wie meent de waarheid in pacht te hebben. Maar het raakt me als mensen gewoon ontspannen vertellen dat ze gelovig zijn en dat het hen helpt het leven richting en zin te geven. Dat geloof in God en zijn barmhartigheid ons uitnodigt om barmhartig te leven.

Iets van de onbevangenheid van de ‘zeven snaren’ hoop ik met u te kunnen delen. Gewoon dat geloof goed doet, en richting geeft en inspireert!

En mocht u ‘de zeven snaren’ willen lenen, dan hoor ik het graag!

Ds. Antoinette van der Wel (dsavdwel@deopenhof-hia.nl en telefoon 06-10812631)


Digitale 40-dagen kalender

Op 17 februari begint de 40-dagentijd. Een tijd waarin we toeleven naar het paasfeest. Vanouds werd in deze periode gevast en was het dan ook bij uitstek een tijd om extra aandacht te hebben voor je naaste. Ook wij zullen deze weken aandacht geven aan onze naaste, dichtbij en veraf. Samen met ZWO presenteren we elke week een project van kerk in actie. Die projecten zijn verbonden met de zeven werken van barmhartigheid.

Hoe geven wij, anno 2021, deze bezinningstijd vorm? Denken we na over duurzamer leven? Over wat we kunnen doen voor een ander? Durven we zelf een stapje terug te doen om de ander ruimte te bieden? Die werken van barmhartigheid, hoe geven wij die vandaag vorm?

Samen met onze zusterkerk De Ark bieden we gemeenteleden een digitale 40-dagenkalender aan. Een kalender die behulpzaam wil zijn bij de bezinning van deze weken.

Verschillende gemeenteleden uit beide kerken verlenen hun medewerking en zo hopen we ons in deze tijd waarin we minder bij elkaar kunnen zijn, toch verbonden te weten. Ik ben er voor jou!

Elke dag in deze 40-dagentijd krijgt u een mailtje van ons, daarna stopt het vanzelf.

U kunt zich aanmelden via deze link: 40-dagenkalender van De Open Hof

Ds. Antoinette van der Wel (dsavdwel@deopenhof-hia.nl)


Overdenking ds. Van der Wel zondag 7 februari

Preek n.a.v. 2 Kon 4 en Marc 1, 29-39

 

Gemeente van Jezus Christus,

 

Twee prachtige paasverhalen horen we op deze winterse zondag. Verhalen die ons uittillen boven de donkere en sombere dagen en onze blik weer richten op het licht. Verhalen van twee naamloze, sterke vrouwen die ons laten zien hoe het leven is bedoeld. Het zijn gastvrije vrouwen, die hun deuren openstellen voor wie willen schuilen, maar die tegelijkertijd door hun krachtige vasthoudendheid een voorbeeld kunnen zijn voor ons vandaag.

 

Twee prachtige paasverhalen. De vrouw uit het verhaal in Koningen is een voorname vrouw uit Sunem, die letterlijk ruimte maakt voor de profeet Elisa. Grappig vind ik het zoals zij het heft in handen neemt, thuis in haar kleine gezin. Geen spoor van onderdanigheid of volgzaamheid, wat vrouwen in de bijbel zo vaak kenschetst, maar heldere doortastendheid in het hele verhaal. Elisa, die wat klungelig overkomt, weet er eigenlijk niet zo heel goed raad mee. Wat zouden we voor haar kunnen doen, voor wat hoort wat, overlegt hij met zijn hulpje. Een goed woordje bij de koning? Beetje lobbyen bij het gezag? De vrouw lacht het weg. Ik woon te midden van mijn eigen volk. Onafhankelijk als ze is, kiest ze ervoor de profeet gastvrijheid te verlenen en daar hoeft ze niets voor terug te krijgen. Haar gastvrijheid hoeft niet te worden terug betaald. Dan komt Gechazi met de oplossing. Een kind. Elke vrouw in vroeger tijden heeft een zoon nodig om haar identiteit te borgen. Je bent immers altijd de dochter van, de vrouw van of de moeder van. Ook daar reageert ze realistisch op. Haar man verdwijnt in de schaduw van het verhaal.

 

En dan die andere vrouw, uit het evangelie. Ook zij is naamloos en wordt aangeduid als de schoonmoeder van Petrus. Ik zou wel eens willen weten waarom zij met koorts in bed ligt. Ik kan me ook voorstellen dat het een daad van verzet is. Mooi, hoor, die roeping van Petrus, maar wie zorgt er nu voor zijn gezin? Wie zorgt er voor brood op de plank. Prachtig dat hij zijn roeping achterna gaat, maar wat betekent dat nu voor mijn dochter? Verwacht je nu werkelijk dat ik een feestmaal ga aanrichten voor jou en je nieuwe vrienden? Ik krijg het er spaans benauwd van! Hoe moet dat nu verder? Wat zullen de buren wel niet denken?

 

Jezus raakt haar aan en richt haar op. De koorts wijkt. Ze staat op. Alsof het al Pasen is! Gastvrij stelt ze haar huis open en dient Jezus en zijn leerlingen. Het woord dat daar staat voor dienen is niet het gehoorzaam sloven dat van veel vrouwen door de eeuwen heen is verwacht, maar is hetzelfde woord dat gebruikt wordt voor de engelen die Jezus dienen in de woestijn, het gaat om diakonein, de dienst aan de wereld, aan de kwetsbaren. Dienen zoals vandaag nog te horen is in ons woord diaken. De schoonmoeder van Petrus wordt een volgeling, wordt opgewekt tot een leven in dienst van het evangelie. Wat dat inhoudt? Dat zie je meteen als het avond wordt en de sabbat voorbij is. Haar huis wordt een zoete inval voor wie genezing verlangen, voor wie van hun demonen willen worden verlost. Jezus drukt hen op het hart te zwijgen, niet te vertellen wat er hen is overkomen aan genezing en heling. Zijn tijd is nog niet gekomen. Vroeg in de ochtend trekt hij zich terug om te bidden, om te bezinnen, om tot zichzelf te komen. Want overal zijn er mensen die verlangen naar genezing. Enkelen richt hij op en nodigt hen uit in zijn spoor hetzelfde te doen voor mensen op hun weg. Hij raakt hen aan, zodat zij anderen weer liefdevol kunnen aanraken. Een hand uitsteken, de ander op zijn voeten zetten, gastvrij zijn.

 

Terug naar de voorname vrouw uit Sunem. De voorspelde zoon wordt geboren, maar blijkt kwetsbaar. De vader brengt hem bij zijn moeder, hij sterft. Daar neemt zij geen genoegen mee. Ze gaat zelf naar de Godsman. Ontroerend vind ik haar voortvarendheid en haar dappere weigering zich bij het bestaande neer te leggen. Met wat hindernissen verschijnt Elisa uiteindelijk ten tonele. Er volgt een bijna magische scene, waarbij hij de jongen de levensadem inblaast. Het lijkt op het verhaal van die eerste mens, die geboetseerd uit klei pas tot leven komt als hij door God zelf wordt beademd.

 

Twee prachtige paasverhalen. Twee sterke vrouwen die God op hun eigen wijze dienen, die weigeren zichzelf of wie hen liefzijn prijs te geven aan de dood. Die blijven vertrouwen dat er een weg is ook als die lijkt te zijn doodgelopen. Ze leggen zich niet neer bij wat kapot ging en zoeken wegen van leven.

 

Zo wordt het al Pasen aan het begin van het evangelie en daar in die kamer op het dak in Sunem.  Mooi, hoor ik u verzuchten, maar onze ervaringen zijn vaak anders. Wie heeft nog nooit iemand die je lief was verloren aan de dood? Wie is er nog nooit bang geweest dat de nacht maar zou blijven duren en de morgen maar niet komt? Wie heeft nog nooit machteloos met het dekbed over je hoofd gewacht, geroepen, gebeden, maar stuitte op een muur van zwijgen. En waar is God in dit alles? Hoort hij mij? Komt er ooit een morgen waarin ik weer verder kan? Geloven we nog in die nieuwe dag? Dat uiteindelijk het laatste woord zal zijn aan het leven? Aan de toekomst?

 

Ergens wordt een mens aangeraakt. De koorts wijkt, de deuren gaan open voor wie er schuilen wil. Ergens wordt een kind de levensadem ingeblazen, en hij staat op, niest een paar keer en loopt het leven tegemoet. Ergens wordt de nacht verdreven, omdat iemand een lichtje aansteekt en er beschermend de handen omheen houdt. Ergens wordt in de stilte een lied van verlangen gezongen en hier en daar wordt het voorzichtig overgenomen.  Iemand vertelt een verhaal over leven door de dood heen, over hoe na maanden van verdriet er opeens een deur openging, een stem klonk, je werd geroepen. En je staat op, je pakt je spullen bij elkaar, en je laat je meevoeren naar de morgen.

 

Lieve gemeente,

Door de tijden heen, zijn er altijd mensen geweest die opstonden, opgewekt werden, die een spoor trokken in deze wereld. Ze openden hun deuren voor wie gastvrijheid zoeken. Ze slaan een arm om je heen als de kou diep in je botten zit, ze brengen een lichtje mee en verdrijven je nacht. Ze durven je te vertellen dat er leven mogelijk is, ook al lijkt alles je uit handen geslagen. En ergens tintelt het vertrouwen, dat je nergens van God verlaten bent, dat je niet kunt vallen, dan in zijn handen. We kunnen het niet bewijzen, maar soms zien we het heel even. In die ene die weer op haar voeten durfde te staan, in het kind dat opademt, in de vrouw die gastvrij haar deuren opent, in wie nieuwe dienstbare wegen durft te gaan.

 

Het wordt altijd weer Pasen, want Gods liefde is groter dan ons ongeloof en onze onmacht. Door de eeuwen heen hebben mensen ervan getuigt, er is een weg in de woestijn, een pad door de zee, leven te midden van dood. Zo gaan we op weg, elke dag weer verlangend naar de morgen. Zo gaan we op weg, in het kwetsbare vertrouwen dat we wel kunnen vallen, maar nooit zullen vallen uit Gods hand.

Amen.

 

 

 

 


Bruggen bouwen

Aan de rand van Berkel en Rodenrijs verschijnen deze maanden grote bergen zand. Er wordt hard gewerkt aan de nieuwe snelweg. Het was wel even slikken toen de eerste bomen werden gekapt en wat voorheen een rommelige bosje was een kale vlakte werd. Midden op de zandhopen verrees afgelopen week opeens een nieuwe brug en ontstaat er langzaam maar zeker een weg. Toen ik die halve brug zag, vond ik het een treffend teken voor deze maanden van lockdown. Het is niet makkelijk om bij elkaar te komen en naarmate de weken zich aaneen rijgen zal de stilte voor menigeen zwaar vallen.

Tegelijkertijd realiseerde ik me hoe belangrijk juist nu de bruggenbouwers zijn. Mensen die het vermogen hebben twee polen met elkaar te verbinden. Die niet kiezen voor een verdere verwijdering tussen mensen, maar taal zoeken om elkaar te ontmoeten, die zacht en verbindend zijn. Mensen die ook al is de brug nog niet af al een beeld voor ogen hebben hoe de weg er straks uit gaat zien. Die altijd begaanbare paden weten te vinden.

Zou dat misschien onze opdracht kunnen zijn? Bruggenbouwers zijn? Niet alleen in deze rare maanden van lockdown, maar altijd. Mensen die de moed hebben te beweren dat er een weg is in de woestijn en een weg door het water heen? Mensen die geloven in verbinding, in samen optrekken, in zoeken naar licht? Een mens die op ons afkomt, die ons opzoekt, ons aanraakt? Zoals Jezus ons voorleefde. Hij zag mensen, raakte ze aan en liet zich raken.

Ds. Antoinette van der Wel (dsavdwel@deopenhof-hia.nl of telefoon 06-10812631)


Overdenking ds. Van der Wel zondag 17 januari

Gemeente van Jezus Christus,

De zondagen na het kerstfeest kennen vaste lezingen. Die lezingen proberen elk iets te laten zien van wie Jezus is. Er wordt ons iets onthuld, iets duidelijk gemaakt. Zo lazen we na kerst over de magiërs uit het Oosten, wordt op de tweede zondag vaak de doop van Jezus gelezen en op de derde zondag, vanmorgen, altijd het verhaal van de bruiloft te Kana.

Nu kun je zo’n verhaal op velerlei niveaus lezen en dat maakt het juist zo aantrekkelijk. Waarschijnlijk zie je bij de eerste lezing vooral het wonder. Knap om water in wijn te veranderen. Echter, voor je het weet, is Jezus een soort tovenaar geworden die alle natuurwetten tart en daarom dus heel bijzonder is. Toch doen we daarmee het verhaal tekort. Johannes vertelt het immers niet als een spectaculair verhaal. Hij is helemaal niet geïnteresseerd in Jezus als wonderdoener en het verhaal van de bruiloft te Kana zit boordenvol met verwijzingen naar andere verhalen

Helaas zijn er maar enkele mensen in de kerk, anders zou ik een klein testje bijbelkennis willen doen en vragen welke woorden opvallen. Gelukkig hebben een aantal meelezers wel vast hun best gedaan en opvallend is inderdaad dat ze allen wijzen op die diepere verbanden. Ik ga er vanmorgen een paar aan de orde stellen, om daarbij ook wat lijntjes naar ons leven van vandaag te trekken.

Opvallend is dat Johannes niet spreekt over wonderen. Hij noemt wat Jezus doet een teken. Het betekent iets, het verwijst naar iets, het wil onze blik richten op datgene wat buiten ons gezichtsveld ligt. Hij beschrijft Jezus niet als een wonderdokter of tovenaar, maar als een mens van God in ons midden. Jezus laat ons in zijn leven zien wie de Eeuwige is, verbeeldt zijn aangezicht onder ons. Als hij in ons midden is, krijgen gewone dingen een diepere betekenis, verwijzen ze naar het geheim dat we God noemen, wordt ons een blik gegund op hoe het leven is bedoeld. Jezus is niet de zoveelste mannetjesputter die met brood en spelen mensen aan zich bindt, maar eerder degene die het gewone bijzonder maakt. Eerder van het kleine geluk, dan van het omgooien van de wereldorde. Maar misschien is juist dat kleine veel doeltreffender om de wereld te veranderen. Ik werd deze week door een vriendin gewezen op het lied ‘ik geloof’ van Jeroen van Merwijk, gezongen door zijn vrienden, nu hij ernstig ziek is. Een prachtig lied over hoe het kleine het verschil maakt.

Terug naar het verhaal dat veelzeggend begint: op de derde dag. Kijk dan moeten we onze oren spitsen. Want die derde dag is overal in de bijbel een beslissend moment. Zo ging Abraham met Isaak op de derde dag de berg op en liet God zich zien. Op de derde dag openbaarde God zich aan Mozes op de berg Sinaï. Die derde dag is de dag waarop de Eeuwige zijn mensen tegemoet komt, de dag van de ontmoeting.  De evangelist Johannes omsluit het leven van Jezus met die woorden. Zijn eerste zichtbare teken was op de derde dag. Aan het eind van het evangelie is hij op de derde dag verrezen. Zo’n openingsvers is uiteraard niet willekeurig gekozen. Als het erop aan komt, als de beslissing aanstaande is, dan blijkt de Eeuwige nabij, dan wordt Hij een ogenblik zichtbaar! Als het erom spant, als het leven kwetsbaar blijkt, als de wijn op is, dat is het moment waarop God het verschil maakt.

Er is een bruiloft in Kana in Galilea. Bij het woord bruiloft licht de hele bijbel op. We hoorden vanmorgen hoe Jesaja een beeld schetst van de toekomst. Dit laatste gedeelte van Jesaja is geschreven als de bannelingen terug gaan naar Jeruzalem. Bijna ben je geneigd om te zeggen: en ze leefden nog lang en gelukkig. Maar niets is minder waar. Ze komen in een stad die volledig in puin ligt en waar ze door de achterblijvers met enige achterdocht worden bekeken. Maar juist daar op de puinhopen, te midden van gebroken relaties, klinkt het loflied op de liefde van God voor deze stad, voor deze mensen. Ik stel me dan voor hoe ze elkaar vertelden hoe mooi Jeruzalem is, terwijl ze puin ruimden, elkaar leerden kennen en droomden van de morgen. Zoals juist op moeilijke momenten het leven je zo lief kan zijn en je zo kunt genieten van klein geluk.

Er is een bruiloft in Kana in Galilea. Tussen de gasten zien we Jezus’ moeder en zijn net geroepen leerlingen. Dan gebeurt datgene dat iedere gastheer of vrouw het meeste vreest. Er blijkt niet genoeg wijn te zijn. Het feest dreigt als een nachtkaars uit te gaan. Nog maar net waren we blij met de komst van een vaccin, licht aan het eind van de tunnel en nu moeten we nog voorzichtiger zijn. Je bent net afgestudeerd, het leven lacht je toe, maar na ettelijke sollicitaties blijk je nergens welkom. Je bent tot over je oren verliefd, maar hij kiest toch voor een ander. Je hebt net een huis gekocht en dan verlies je je baan. Je kijkt uit naar je pensioen, maar dan wordt je partner ziek. Het leven lacht je toe en dan wordt alles je uit handen geslagen. Wat een feest had moeten zijn, ontaardt in een nachtmerrie.

Maria schiet in de regelstand en Jezus reageert schijnbaar lomp en afwijzend. Wat wilt u van me? Ik vind het altijd opvallend dat Maria zich totaal niet uit het veld laat slaan door die opmerking. Blijkbaar hoort zij niet de afwijzing die wij er vandaag wel in horen. Geweldig vind ik haar reactie. Ze geeft rustig aan de bedienden de opdracht te doen wat Jezus vraagt.

Vul de vaten met water, zegt Jezus, en de bedienden doen wat hij vraagt. Dat is geen klein klusje. Die watervaten zijn ongeveer 100 liter groot. Er staan er zes. Er moet water worden geput of gehaald, dat moet vervolgens in de vaten worden gegoten. Een klus om je mouwen voor op te stropen. Maar zonder morren wordt het gedaan. Als ze vervolgens het water scheppen en aan de ceremoniemeester brengen blijkt het water te smaken als de allerbeste wijn.

Er is geen aandacht voor het hoe van dit teken. Het wordt bijna terloops verteld.  Jezus is uiterst bescheiden aanwezig. Zijn eerste teken is niet het houden van een overweldigende speech, of het in vervoering brengen van een menigte. Rustig en bescheiden redt hij een boerenbruiloft. Als de bruidegom er is kan het feest toch niet verloren gaan!

Water smaakt als de allerbeste wijn. Zoals die ene keer toen je na een lange wandeling met je handen water schepte uit een borrelend stroompje. Of toen je na een lange tijd van zorgen voor het eerst weer eens onbedaarlijk moest lachen. Water smaakt als wijn wanneer we elkaar straks weer gewoon mogen aanraken en onbevangen de hand schudden. Wat zal het slokje wijn bij de tafelviering heerlijk smaken als we na maanden van kerkdiensten voor een scherm weer bij elkaar kunnen zijn in De Open Hof en brood en wijn zullen delen.

Jezus eerste teken laat het ons al zien. Als ik in jullie midden ben smaakt water als de allerbeste wijn. Ons rest niet anders te doen dan wat voorhanden is. Gewoon de watervaten vast vullen, gewoon vast een voorproefje nemen op dat rijk. Doen wat je kan om het leven mooier en beter te maken. Er zijn voor een ander, eenvoudigweg je mouwen opstropen om de vaten te vullen. Water zijn in de woestijn. Ondertussen voeden we met elkaar het vertrouwen dat er altijd weer een derde dag zal zijn. Een dag waarop ons aangedragen water smaakt als de allerbeste wijn. Zoals het lied dat mij deze week werd aangereikt zingt in het refrein:

En met het risico dat ik voor gek wordt versleten
Geloof ik dat alles ooit mooi wordt en goed
Met de moed van de wanhoop en tegen beter weten in
Blijf ik geloven, omdat dat wel moet.[1]

Een bruiloft in Kana was het eerste teken. Het geeft ons het vertrouwen dat er altijd weer een derde dag komt, een dag waarbij de Eeuwige zich laat zien, waarop het licht de nacht verdrijft en we weer het glas mogen heffen: Lechajim, op het leven.

[1] Jeroen van Merwijk, Ik geloof.


Ora et labora

In mijn geboorteplaats stond even buiten de bebouwde kom een boerderij waar met grote witte letters op het rode pannendak stond: “Bid en Werk.” De mensen zeiden van de toenmalige bewoner: “Hij doet geen van beide.” Nimmer werd hij in een kerkdienst gezien en het woonerf maakte nogal een rommelige indruk. Daarom was de conclusie: Hij bidt niet en hij werkt niet.

Veel te voorbarig natuurlijk. In die tijd en in die streek ging men niet altijd even gevoelig met elkaar om. Dit schoot me te binnen toen ik er over nadacht hoe de verhouding tussen bidden en werken eigenlijk moest zijn. In het persoonlijke en het maatschappelijke leven is het, denk ik, zeer belangrijk om het bidden en het werken in de goede verhouding te plaatsen.

In dit verband trof mij een uitspraak van de bekende Amerikaanse dominee Martin Luther King. Hij schreef: “God heeft ons het verstand gegeven om te denken en het lichaam om te werken. Hij zou zijn schepping verloochenen als hij ons toestond door gebed te bereiken wat door werk en intelligentie bereikt kan worden. Het gebed is een wonderbaarlijke aanvulling op onze moeiten, maar is als vervanging daarvan gevaarlijk.”

Dat heeft consequenties, zowel voor ons bidden als voor ons werken. Hopelijk gaan we daar goed mee om en hebben we daar in ons dagelijks leven oog voor.

Uit het boekje Vierkantjes van ds. Bertus van Dalfsen


Bijna kerst : door Ds. Antoinette van der Wel

Voor het eerst in jaren heb ik mijn kerstkrans nog voor de eerste adventszondag al opgehangen aan de voordeur. Ik blijk niet de enige te zijn die al vroeg in december de voorbereidingen treft voor het kerstfeest. Overal om mij heen zie ik lichtjes hangen en de kerstboomverkoop is al volop aan de gang.

Wat is dat toch, dat maakt dat we niet kunnen wachten? Is het ons diepe verlangen naar licht in deze donkere dagen. Naar iets van gezelligheid nu we in het afgelopen jaar zo zijn terug geworpen op onszelf? Natuurlijk zijn we door deze coronacrisis ons meer bewust van de kwetsbaarheid van ons leven. Maar was dat eigenlijk vorig jaar zo heel veel anders?

Dat het leven niet maakbaar blijkt te zijn, is een les die je gaandeweg te leren hebt. In alle periodes waarin zekerheden ons uit handen worden geslagen, daalt het diepe besef in, dat we het leven niet in de hand hebben. Het merkwaardige is daarbij dat juist in de donkere dagen het licht ook zo hartverscheurend mooi kan zijn. Dat licht mogen we deze dagen met elkaar delen, door er in alle eenvoud voor elkaar te zijn, ook en misschien juist in donkere dagen. Zo leven we het kerstfeest tegemoet in het kwetsbare vertrouwen dat in elke nacht, Gods licht zichtbaar kan worden. Straks vieren we het feest dat in de nacht het licht werd geboren, het weerloze licht dat sterker blijkt dan de duisternis.

Ds. Antoinette van der Wel